begeestering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gees·te·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord begeestering begeesteringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

begeestering v [1]

  1. een energiek gevoel van blije en/of emotionele betrokkenheid
    • Helligen Hendrik verzorgt zondag een Oudejaarsconference in stadstheater De Bond in Oldenzaal. Humor, veel boosheid, begeestering en een vleugje melancholie komen bovendrijven in deze unieke oudejaarsvoorstelling in streektaal. [2] 
    • Het was *veelbetekend* hoe *elke media* *onwelwillig* reflecteerde op de krankjorume tekst van het Koningslied, over *wiens* begeestering de godganse participatiemaatschappij *zich streste*. [3] 
    • Bovendien, vindt hij, bestaat het woord ‘geestig’ nauwelijks meer. ,,Geestig veronderstelt een geest, iets van spiritualiteit, van begeestering. Die ontbreekt. Kleinkunst is verworden tot een aaneenschakeling van zogenaamd grappige situaties. Het is lachen om burgerlijkheid zonder iets te doorgronden. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen