barbecue

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·be·cue
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Amerikaans-Engelse barbecue, via het Spaanse barbacoa uit barabicu (w:Taíno-volk, oorsprong van het heilige vuur)
enkelvoud meervoud
naamwoord barbecue barbecues
verkleinwoord barbecuetje barbecuetjes

Zelfstandig naamwoord

barbecue m

  1. (kookkunst) een apparaat waarbij op een rooster vlees wordt gebraden.
  2. een feest of partij waar bovengenoemd apparaat gebruikt wordt.

Werkwoord

vervoeging van
barbecueën

barbecue

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
    Ik barbecue.
  2. gebiedende wijs van barbecueën
    Barbecue!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
    Barbecue je?