barbecue

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
barbecue

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·be·cue
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord barbecue barbecues
verkleinwoord barbecuetje barbecuetjes

Zelfstandig naamwoord

barbecue m

  1. (kookkunst) apparaat waarop vlees kan worden bereid door het op een rooster boven een warmtebron te verhitten
  2. feestelijke bijeenkomst waar men samen vlees roostert en opeet
Schrijfwijzen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
barbecueën

barbecue

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
    Ik barbecue.
  2. gebiedende wijs van barbecueën
    Barbecue!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
    Barbecue je?

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Engels

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

barbecue

  1. barbecue
Synoniemen
Overerving en ontlening
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl