baisses

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bais·ses

Zelfstandig naamwoord

baisses mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord baisse


Frans

Werkwoord

vervoeging van
baisser

baisses

  1. tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van baisser
  2. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van baisser