baisser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
baisser
baissais
baissé
eerste groep volledig

Werkwoord

baisser

  1. overgankelijk naar beneden doen
    «Baisser les glaces d’une voiture.»
    De ramen van een auto naar beneden doen.
  2. wederkerend se ~: bukken
  3. onovergankelijk dalen