amalgaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • amal·gaam
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘legering’ voor het eerst aangetroffen in 1636 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord amalgaam amalgamen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

amalgaam o

  1. (metallurgie) (medisch) legering van kwikzilver en een ander metaal, bijvoorbeeld zilver, vroeger veel gebruikt voor vullingen van kiezen
  2. mengelmoes
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
77 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen