afwerping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wer·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afwerping afwerpingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afwerping v

  1. afwerping van een juk: het zich bevrijden van een ondraaglijke last
    • Het is inmiddels ver na kinderbedtijd. Buiten het café, op het Martelaarsplein, wacht Vrouwe Vrijheid, met aan haar voet de Belgische leeuw met de verbroken kettingen van de slavernij in zijn klauwen. Het is het monument ter ere van de afwerping van het Nederlandse juk in 1830. Reden waarom de jonge Barnard ook op 21 juli vrij is van school. Maar dat zal hij inmiddels wel weten. [1] 
    • ten tweede, dat wij vanwege de Goddelijke roeping tot herstel der gebroken gemeenschap thans moeten komen tot afwerping van dit juk, dat is, tot de weigering om hetzij met het woord, hetzij met de daad, hare besluiten voor vast en bondig te houden; [2] 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad Mark Wallet 21-03-2013 Geert van Istendael schreef een geschiedenis van België voor kinderen (en hun ouders)
  2. Reformatorisch Dagblad (1998)–K. Schilder Verzamelde werken 1942-1944