afvliegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·vlie·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afvliegen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afvliegen
vloog af
afgevlogen
klasse 2 volledig
  1. van een bepaalde plaats wegvliegen
    • Als het even kan moet 24 uur per dag worden geobserveerd wanneer de dieren aan- en afvliegen, wat de activiteiten op het nest zijn en welke prooien er worden aangevoerd. Ook het roepen van het mannetje en het vrouwtje wordt bijgehouden. [2] 
  2. op afvliegen: ergens naartoe vliegen
    • Ze krijgt een extreme allergie-aanval als het beestje haar steekt en draagt dan ook een speciale wespenpen bij zich. Als de beestjes op haar afvliegen, slaat ze die van zich af. „Ja, ik weet dat ze zeggen dat je stil moet blijven zitten. Maar dat is voor mij hetzelfde als op een spoorbaan gaan zitten als er een trein aan komt. Dat gaat ook niet vanzelf goed.” [3] 
    • ,,De jagers stelen de ganzen omdat ze ze willen gebruiken als lokaas, als 'levende stal'", legt boswachter Leo Smits uit. ,,Ze stelen de jonge dieren, laten ze thuis groot worden en knippen de vleugels kort zodat ze niet meer weg kunnen vliegen. De tamme, gekortwiekte vogels worden in een veld gezet, zodat ze andere, wilde ganzen kunnen lokken." De ganzen die vervolgens op de lokganzen afvliegen, worden door de wachtende jagers neergeschoten. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.


Verwijzingen