afreis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·reis

Werkwoord

vervoeging van
afreizen

afreis

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afreizen
    • ... dat ik afreis. 

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be