terugbetalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·be·ta·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugbetalen
betaalde terug
terugbetaald
zwak -d volledig

Werkwoord

terugbetalen

  1. ditransitief door iemand op voorschot betaalde uitgaven vergoeden
    • Hij kreeg die onkosten keurig netjes terugbetaald. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be