terugbetalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·be·ta·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugbetalen
betaalde terug
terugbetaald
zwak -d volledig

Werkwoord

terugbetalen

  1. ditransitief door iemand op voorschot betaalde uitgaven vergoeden
    • Hij kreeg die onkosten keurig netjes terugbetaald. 
  2. vereffenen van een schuld
     Mama had niet alleen terugbetaald wat ze in het begin van de zomer voor haar eerste loon van me had geleend.[1]


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044632767
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be