afleren
Uiterlijk
- af·le·ren
- samenstelling van af bw en leren ww
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afleren |
leerde af |
afgeleerd |
| zwak -d | volledig | |
afleren
- overgankelijk leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren
- Hem werd het spijbelen op hardhandige wijze voorgoed afgeleerd.
- ▸ Haar wijsheid lijkt te maken te hebben met het afleren van je angsten, een wijsheid die ontstaat als je de eindigheid van het leven aanvaardt.'Je doet erg je best, hè?' zegt Bibi. Ze staart naar de grond.[1]
1. leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren
- Het woord afleren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afleren" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %