Naar inhoud springen

afleren

Uit WikiWoordenboek
  • af·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afleren
leerde af
afgeleerd
zwak -d volledig

afleren

  1. overgankelijk leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren
    • Hem werd het spijbelen op hardhandige wijze voorgoed afgeleerd. 
     Haar wijsheid lijkt te maken te hebben met het afleren van je angsten, een wijsheid die ontstaat als je de eindigheid van het leven aanvaardt.'Je doet erg je best, hè?' zegt Bibi. Ze staart naar de grond.[1]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]
  1. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be