afkomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
afkomen afkomend
afkomst afkomstig
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkomen
kwam af
afgekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

afkomen

  1. ergatief op iemand ~: iemand -soms dreigend- benaderen
  2. ergatief ~ van: van een probleem bevrijd worden, kwijtraken
    • Hij zal niet gemakkelijk van die schulden afkomen. 
  3. ergatief ~ van: zijn oorsprong vinden, afstammen
    • Volgens mij komt dat van de Byzantijnen af. 
  4. toegewezen of betaald worden
    • Die late betaling kwam eindelijk af. 
  5. naar beneden komen, weg komen, langs komen
    • Hij kwam de trap af 
  6. officieel bekend gemaakt worden
    • Deze benoeming zal spoedig afkomen 
  7. op bezoek komen, langskomen
    • Ik kom morgen eens af 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.