acteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
acteren
acteerde
geacteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

acteren [2]

  1. (kunst) inergatief een rol vervullen in een toneelspel
    • Zij had vele jaren verdienstelijk geacteerd voordat ze een televisieshow aangeboden kreeg. 
  2. doen alsof, een rol spelen
    • De hysterische patiënte acteerde weer dat ze verlamd was. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal