acteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
acteren
acteerde
geacteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

acteren [2]

  1. (kunst) (inergatief) een rol vervullen in een toneelspel
    Zij had vele jaren verdienstelijk geacteerd voordat ze een televisieshow aangeboden kreeg.
  2. doen alsof, een rol spelen
    De hysterische patiënte acteerde weer dat ze verlamd was.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal