opereren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ope·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opereren
opereerde
geopereerd
zwak -d volledig

Werkwoord

opereren

  1. overgankelijk (medisch) aan een chirurgische ingreep onderwerpen
    • Zij moest geopereerd worden. 
  2. inergatief acties uitvoeren, optreden
    • Zij opereerden niet aan de andere kant van de rivier. 
     „Elk incident, elke publicatie in de media is slecht voor de positie van Centric, want wij opereren in een markt waarin vertrouwen ontzettend belangrijk is”, schetste Luijten.[3]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen