opereren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ope·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opereren
opereerde
geopereerd
zwak -d volledig

Werkwoord

opereren

  1. overgankelijk (medisch) aan een chirurgische ingreep onderwerpen
    • Zij moest geopereerd worden. 
  2. inergatief acties uitvoeren, optreden
    • Zij opereerden niet aan de andere kant van de rivier. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen