Naar inhoud springen

acteerde

Uit WikiWoordenboek
  • ac·teer·de
vervoeging van
acteren

acteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van acteren
    • Ik acteerde. 
    • Jij acteerde. 
    • Hij, zij, het acteerde. 
     Toch liet ik het lang duren voordat ik op z'n Joy's een hoogtepunt acteerde.[1]
  1. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340