acrobaat
Uiterlijk
- acro·baat
- Leenwoord van Frans acrobate, in de betekenis van ‘kunstenmaker’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
- uit het Frans [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | acrobaat | acrobaten |
| verkleinwoord | acrobaatje | acrobaatjes |
de acrobaat m
- (beroep) artiest die allerlei moeilijke gymnastische toeren uithaalt (vaak werkend in een circus)
- ▸ Had zijn ontslag bij het circus van de frivole acrobaat een zelfingenomen laffe dikzak van hem gemaakt? Had hij zijn levenslust in een permanente sluimer gesust door zich te committeren aan een norm die hij stiekem evenveel verachtte als zijn overgebleven vrienden heimelijk deden?[3]
1. gymnast
- Het woord acrobaat staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "acrobaat" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "acrobaat" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ acrobaat op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be