accumuleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·cu·mu·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
accumuleren
accumuleerde
geaccumuleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

accumuleren

  1. overgankelijk opstapelen, verzamelen, opeenhopen, ophopen.
    • In deze periode accumuleerde de economie veel meer kapitaal dan daarvoor. 
  2. ergatief zich ophopen
    • Daar accumuleerde weer meer sneeuw en ijs in, waardoor het proces versterkt werd.  
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen