aanvaring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·va·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvaring aanvaringen
verkleinwoord aanvarinkje aanvarinkjes

Zelfstandig naamwoord

aanvaring v

  1. (scheepvaart) botsing van een schip met een ander schip of object
  2. (figuurlijk) conflict
    • De leraren hadden vaak een aanvaring met de opstandige student. 
    • Pubers behoren vaak aanvaringen te hebben met hun ouders. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie