aanlegger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·leg·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanlegger aanleggers
verkleinwoord aanleggertje aanleggertjes

Zelfstandig naamwoord

aanlegger m [1]

  1. (persoon) iemand die iets aanlegt, ontwerpt, begint of veroorzaakt
  2. (beroep) geldschieter
Verwante begrippen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen