Zwietsj

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

Zwietsj o

  1. (Hooglimburgs) Auswitsch
    «Haes toe neet aafgeloupe jaor Zwietsj bezóch?»
    Heb jij niet afgelopen jaar Auswitsch bezocht?
Verbuiging
Synoniemen