Schule

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈʃuːlə/ meervoud IPA: /ˈʃuːlən/
enkelvoud meervoud
nominatief die Schule die Schulen
genitief der Schule der Schulen
datief der Schule den Schulen
accusatief die Schule die Schulen

Zelfstandig naamwoord

Schule v

  1. school
    «Man diskutierte die Probleme der Schule in der heutigen Zeit.»
    Men bespreekt de tegenwoordige problemen van de school.
Afgeleide begrippen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Schu·le

Zelfstandig naamwoord

Schule

  1. vrouwelijk meervoud van Schul
    «Mir hen Rege un Wind grickt, die Schule waare zwee Daage zugemacht.»
    We hebben regen en wind gekregen en de scholen werden voor twee dagen gesloten.
Opmerkingen