school

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • school
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schare, groep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderwijsinstelling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord school scholen
verkleinwoord schooltje schooltjes

Zelfstandig naamwoord

school v/m

  1. (onderwijs) een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen.
    • Het is verplicht dat kinderen naar school gaan. 
  2. (dierkunde) een zwemmende groep gelijksoortige vissen.
    • Daar zwom een school karpers. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Uit de school klappen
een geheim verklappen
  • School maken (met)
toonaangevend, spraakmakend of vernieuwend zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
scholen

school

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scholen
    • Ik school. 
  2. gebiedende wijs van scholen
    • School! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scholen
    • School je? 
vervoeging van
schuilen

school

  1. enkelvoud verleden tijd van schuilen
    • Ik school. 
    • Jij school. 
    • Hij, zij, het school. 

Bijwoord

school

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
school schools

Zelfstandig naamwoord

school

  1. school
  2. (dierkunde) school