Ruhm

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ʀuːm/
Woordafbreking
  • Ruhm

Zelfstandig naamwoord

Ruhm m

  1. faam
    «Er fühlte sich unglücklich und all sein Ruhm und all seine Macht waren ihm nichts mehr wert.»
    Hij voelde zich ongelukkig en al zijn faam en macht was hem niet meer waard.
Verbuiging