Erbse

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈɛʁpsə/
Woordafbreking
  • Erb·se
enkelvoud meervoud
nominatief die Erbse die Erbsen
genitief der Erbse der Erbsen
datief der Erbse den Erbsen
accusatief die Erbse die Erbsen

Zelfstandig naamwoord

Erbse, v

  1. erwt
    «Heute gibt's Erbsen und Karotten.»
    Vandaag eten we erwten en wortels.


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Erb·se

Zelfstandig naamwoord

Erbse

  1. vrouwelijk meervoud van Erbs
Opmerkingen