Aziaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Azi·aat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Aziaat Aziaten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

Aziaat m

  1. (aardrijkskunde) bewoner van Azië
  2. (volkenkunde), (eufemisme) persoon afkomstig uit Zuidoost- of Oost-Azië, met zwart haar, amandelogen ("spleetogen") en (enigszins) donkerder huidskleur
  3. (historisch) (volkenkunde) (eufemisme) etnische niet-Europeaan, m.n. inheemse Maleisiër, Indonesiër of Indiër, (etnisch) Chinese of Japanse persoon, die in Nederlands-Indië woonachtig dan wel gevestigd is
     „Een ieder, hij zij Europeaan of aziaat, mag lid „worden van deze vereeniging mits hij zich voelt „Indo-Europeaan, dus één met ons.” Men heeft ons gevraagd, wat wij met „Aziaat” bedoelden, één onzer leden schreef hierbij van een „nieuw geluid,” dat gehoord is. En toch is van een nieuw geluid, van eene verandering in onze opvattingen natuurlijk geen sprake. De bedoelde passage is een weinig onjuist geredigeerd. Eerstens is natuurlijk bedoeld, dat „onder bepaalde voorwaarden” personen lid kunnen worden, die niet voldoen aan de criteria, aangegeven in art: 2 onzer Statuten, zooals dit luidt sinds de op de Algemeene Vergadering te Djokia in 1923 aangenomen wijziging: Dan ware beter geweest voor „Aziaat” te lezen „niet-Europeaan.“[2]
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Solo, 3 Juli1925, Aziaat (03-07-1925) in: De nieuwe vorstenlanden, Soerakarta, p. 2.