kastelein

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·te·lein
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse castellanus (kasteelheer, slot- of burchtvoogd, burggraaf).
enkelvoud meervoud
naamwoord kastelein kasteleins
verkleinwoord kasteleintje kasteleintjes

Zelfstandig naamwoord

kastelein m

  1. (geschiedenis) de plaatsvervanger van de kasteelheer in het beheer van het kasteel
    Coenraad Cuser, in 1400 kastelein van Teylingen en raad van hertog Albrecht, wordt nog voor het laatst vermeld in 1405.
  2. (geschiedenis) een belangrijke ambtenaar die in dienst stond van de landheer en optrad in de rechtspraak en bestuur
  3. (verouderd) een kroeg- of herberguitbater
    De kastelein goot mijn glas opnieuw vol.
Synoniemen

Meer informatie