verwijten/vervoeging
Uit WikiWoordenboek
| vervoeging van de bedrijvende vorm van verwijten | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | verwijt | wij, we | verwijten | ik | verweet | wij, we | verweten | ik | zal verwijten | wij, we | zullen verwijten |
| jij, je, u gij, ge |
verwijt |
jullie | verwijten | jij, je, u gij, ge |
verweet |
jullie | verweten | jij, je, u gij, ge |
zal, zult verwijten zult verwijten |
jullie | zullen verwijten |
| hij, zij, het | verwijt | zij, ze | verwijten | hij, zij, het | verweet | zij, ze | verweten | hij, zij, het | zal verwijten | zij, ze | zullen verwijten |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| verwijtend | verweten hebben | verwijt, verwijt | verwijte | ||||||||
| lijdende vorm verweten worden | |||||||||||
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | word verweten | wij, we | worden verweten | ik | werd verweten | wij, we | werden verweten | ik | zal verweten worden | wij, we | zullen verweten worden |
| jij, je, U gij, ge |
wordt verweten | jullie | worden verweten | jij, je, U gij, ge |
werd verweten werdt verweten |
jullie | werden verweten | jij, je, U gij, ge |
zal, zult verweten worden zult verweten worden |
jullie | zullen verweten worden |
| hij, zij, het | wordt verweten | zij, ze | worden verweten | hij, zij, het | werd verweten | zij, ze | werden verweten | hij, zij, het | zal verweten worden | zij, ze | zullen verweten worden |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| verweten wordend | verweten zijn | word verweten | worde verweten | ||||||||
| meewerkende vorm verweten krijgen | |||||||||||
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | krijg verweten | wij, we | krijgen verweten | ik | kreeg verweten | wij, we | kregen verweten | ik | zal verweten krijgen | wij, we | zullen verweten krijgen |
| jij, je, U gij, ge |
krijgt verweten | jullie | krijgen verweten | jij, je, U gij, ge |
kreeg verweten kreegt verweten |
jullie | kregen verweten | jij, je, U gij, ge |
zal, zult verweten krijgen zult verweten krijgen |
jullie | zullen verweten krijgen |
| hij, zij, het | krijgt verweten | zij, ze | krijgen verweten | hij, zij, het | kreeg verweten | zij, ze | kregen verweten | hij, zij, het | zal verweten krijgen | zij, ze | zullen verweten krijgen |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| verweten krijgend | verweten gekregen hebben | krijg verweten | krijge verweten | ||||||||