geloof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·loof
1 enkelvoud meervoud
naamwoord geloof geloven
verkleinwoord geloofje geloofjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord geloof -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geloof o

  1. (religie) een godsdienstige overtuiging
    Welk geloof hang jij aan?
  2. de overtuiging dat iets zo is
    Ik volg het geloof dat je zelf grote invloed kunt uitoefenen op het leven.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geloven

geloof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geloven
    Ik geloof.
  2. gebiedende wijs van geloven
    Geloof!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geloven
    Geloof je?