zelfvertrouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zelf·ver·trou·wen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zelfvertrouwen | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
zelfvertrouwen o
- geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
- Zijn zelfvertrouwen kreeg daardoor een flinke deuk.