snack

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snack
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord snack snacks
verkleinwoord snackje snackjes

Zelfstandig naamwoord

snack m

  1. een hartig hapje of tussendoortje
    Ik heb geen zin om te gaan koken, dus we gaan vandaag dan maar snacks eten.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse zelfstandige naamwoord snak.
vervoeging
onbepaalde wijs to snack
he/she/it snacks
verleden tijd snacked
voltooid
deelwoord
snacked
onvoltooid
deelwoord
snacking
gebiedende wijs snack

Werkwoord

snack

  1. (onovergankelijk) een snack eten
Afgeleide begrippen

Frase

snack on

  1. (onovergankelijk) nasjen, snoepen


enkelvoud meervoud
snack snacks

Zelfstandig naamwoord

snack

  1. hapje, snack
    «Indulge in a snack that won’t make you cry.»
    Geef toe aan een snack die je niet aan het huilen zal brengen.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • to have a snack
een hapje eten
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen