rook

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Rook.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rook
1 enkelvoud meervoud
naamwoord rook -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord rook roken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rook

  1. m een zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt [1]
    De rook vloog door de wind recht mijn kant op.
  2. v/m hooistapel [2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
roken

rook

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
    Ik rook.
  2. gebiedende wijs van roken
    Rook!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
    Rook je?

Werkwoord

vervoeging van
ruiken

rook

  1. enkelvoud verleden tijd van ruiken
    Ik rook.
    Jij rook.
    Hij, zij, het rook.

Werkwoord

vervoeging van
rieken

rook

  1. enkelvoud verleden tijd van rieken
    Ik rook.
    Jij rook.
    Hij, zij, het rook.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
rook rooks

Zelfstandig naamwoord

rook

  1. (vogels) roek.