roken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ro·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roken
rookte
gerookt
zwak -t volledig

Werkwoord

roken

  1. rook afgeven
    Die schoorsteen rookt geweldig.
  2. een genotsmiddel, voornamelijk tabak, nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    Hij kan het roken niet voor een dagje laten.
    In verschillende landen is het bij wet verboden te roken in openbare gebouwen.
  3. (m.b.t. rauwe vis of rauw vlees) conserveren door langdurige blootstelling aan rook.
    Hij at paling die lang had liggen roken.
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ruiken

roken

  1. meervoud verleden tijd van ruiken
    Wij roken.
    Jullie roken.
    Zij roken.

Werkwoord

vervoeging van
rieken

roken

  1. meervoud verleden tijd van rieken
    Wij roken.
    Jullie roken.
    Zij roken.

Zelfstandig naamwoord

roken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rook

Meer informatie