rijp
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rijp
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rijp | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
rijp m
- (meteorologie) rijm, aangevroren mist
Vertalingen
1. aangevroren mist
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| rijpen |
rijp
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
- Ik rijp.
- gebiedende wijs van rijpen
- Rijp!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
- Rijp je?
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | rijp | rijper | rijpst |
| verbogen | rijpe | rijpere | rijpste |
Bijvoeglijk naamwoord
rijp
- tot volwassenheid gekomen zijnde
- Hij is rijp voor de tien kilometer.
- de eetbare toestand bereikt hebbend
- Alleen de rijpe vruchten zijn lekker.
Vertalingen
1.