rijp

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijp
enkelvoud meervoud
naamwoord rijp -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rijp m

  1. (meteorologie) rijm, aangevroren mist
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
rijpen

rijp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
    Ik rijp.
  2. gebiedende wijs van rijpen
    Rijp!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
    Rijp je?
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rijp rijper rijpst
verbogen rijpe rijpere rijpste

Bijvoeglijk naamwoord

rijp

  1. tot volwassenheid gekomen zijnde
    Hij is rijp voor de tien kilometer.
  2. de eetbare toestand bereikt hebbend
    Alleen de rijpe vruchten zijn lekker.
Vertalingen