rijm

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijm
2 enkelvoud meervoud
naamwoord rijm rijmen
verkleinwoord rijmpje rijmpjes

Zelfstandig naamwoord

rijm

  1. m; rijp, aangevroren mist.
  2. o; een vers waarvan een regel eindigt in een woord dat klankverwantschap vertoont met het einde van een andere regel.
Vertalingen

Meer informatie


Werkwoord

vervoeging van
rijmen

rijm

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijmen
    Ik rijm.
  2. gebiedende wijs van rijmen
    Rijm!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijmen
    Rijm je?
Persoonlijke instellingen
Andere talen