pluis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • pluis

Werkwoord

vervoeging van
pluizen

pluis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
    Ik pluis.
  2. gebiedende wijs van pluizen
    Pluis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
    Pluis je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen