pluk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pluk
enkelvoud meervoud
naamwoord pluk plukken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pluk m

  1. uitgetrokken bundeltje
    Tijdens de vechtpartij verloren beide meisjes een pluk haar.
  2. het plukken
    Vaak helpen buitenlanders mee met de pluk van fruit.
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
plukken

pluk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plukken
    Ik pluk.
  2. gebiedende wijs van plukken
    Pluk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plukken
    Pluk je?