zeker
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: zeker (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈze.kər/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈze.kər/
- (Limburg): /ˈze.kər/
Woordafbreking
- ze·ker
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | zeker | zekerder | zekerst |
| verbogen | zekere | zekerdere | zekerste |
Bijvoeglijk naamwoord
zeker
- waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
- Het voortbestaan ervan werd door deze overwinning een stuk zekerder.
- een ~ een bepaalde, een of andere
- Hij werd door een zekere ziekte daarvan weerhouden.
Vertalingen
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zekeren |
zeker