zeker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ker
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zeker zekerder zekerst
verbogen zekere zekerdere zekerste

Bijvoeglijk naamwoord

zeker

  1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
    Het voortbestaan ervan werd door deze overwinning een stuk zekerder.
  2. een ~ een bepaalde, een of andere
    Hij werd door een zekere ziekte daarvan weerhouden.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zekeren

zeker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zekeren
    Ik zeker.
  2. gebiedende wijs van zekeren
    Zeker!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zekeren
    Zeker je?