plenzen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- plen·zen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| plenzen |
plensde |
geplensd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
plenzen
- (onpersoonlijk) bijzonder hard regenen
- De hele dag plensde het, maar tegen de avond klaarde het op.
Verwante begrippen
| Werkwoorden voor weersgesteldheden in het Nederlands | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
betrekken • bliksemen • dauwen • donderen • dooien • gieten • hagelen • ijzelen • miezeren • misten • motregenen • nevelen |
|||||||||||