plenzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plen·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plenzen
plensde
geplensd
zwak -d volledig

Werkwoord

plenzen

  1. (onpersoonlijk) bijzonder hard regenen
    De hele dag plensde het, maar tegen de avond klaarde het op.
Verwante begrippen
Werkwoorden voor weersgesteldheden in het Nederlands

betrekkenbliksemendauwendonderendooiengietenhagelenijzelenmiezerenmistenmotregenennevelen
onwerenopklarenplenzenplensregenenregenensneeuwenstormenvriezenwaaienweerlichten