donderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- don·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| donderen /ˈdɔndərə(n)/ |
donderde /ˈdɔndərdə/ |
gedonderd /ɣəˈdɔndərt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
donderen
- (onpersoonlijk) het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading
- Het donderde in de verte.
- (inergatief) op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten
- "Koppen dicht!" donderde hij.
- (ergatief) (informeel) (met veel lawaai) ergens af-/uitvallen
- Ze struikelde en donderde met veel gedruis de trap af.
Vertalingen
1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.