regenen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- re·ge·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| regenen |
regende |
geregend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
regenen
- (onpersoonlijk) (meteorologie) het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
- Het zal snel gaan regenen.
Verwante begrippen
| Werkwoorden voor weersgesteldheden in het Nederlands | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
betrekken • bliksemen • dauwen • donderen • dooien • gieten • hagelen • ijzelen • miezeren • misten • motregenen • nevelen |
|||||||||||
Uitdrukkingen en gezegden
Het regent pijpenstelen.
- Het regent hard in rechte stralen.
Vertalingen
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels