plank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Twee planken.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plank
enkelvoud meervoud
naamwoord plank planken
verkleinwoord plankje plankjes

Zelfstandig naamwoord

plank v/m

  1. een plat en langwerpig stuk hout
    Hij viel over de stapel planken die voor de deur was neergelegd.

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen