plank
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- plank
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | plank | planken |
| verkleinwoord | plankje | plankjes |
Zelfstandig naamwoord
- een plat en langwerpig stuk hout
- Hij viel over de stapel planken die voor de deur was neergelegd.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.