opruimen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rui·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van ruimen met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opruimen
ruimde op
opgeruimd
zwak -d volledig

Werkwoord

opruimen

  1. (overgankelijk) iets uit de weg ruimen
    Kun jij die rotzooi even voor mij opruimen?
  2. iets uitverkopen
    U krijgt vandaag 20% kassakorting, want we zijn aan het opruimen.
  3. iets in orde brengen, netjes maken
    Zo, opgeruimd staat netjes!
Vertalingen