hield op
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- hield op
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ophouden |
hield op
- enkelvoud verleden tijd van ophouden
- Ik hield op.
- Jij hield op.
- Hij, zij, het hield op.
- Ik hield op.
| vervoeging van |
|---|
| ophouden |
hield op