insect
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·sect
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | insect | insecten |
| verkleinwoord | insectje | insectjes |
Zelfstandig naamwoord
insect o
- (dierkunde) geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
Schrijfwijzen
- Tussen 1954 en 1995 was de voorkeursspelling "insekt". De voorkeursspelling is echter niet de nieuwe spelling geworden omdat andere woorden, zoals dialect op -ect eindigden en daar is dit woord aan aangepast.
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
- insectenbeet, insectenbestrijding, insectenbeurs, insectenboek, insectendoder, insectendoos, insectenei, insecteneter, insectenfobie, insectengaas, insectengids, insectengif, insectenhotel, insectenhuis, insectenlamp, insectenlarve, insectenmuseum, insectenmuur, insectenpak, insectenrooster, insectensoort, insectenspray, insectensteek, insectenstad, insectenvanger, insectenverdelger, insectenwereld, insecticide
Hyponiemen
- vlinder, mier, bij, kever, kakkerlak, vlieg, vlo, lieveheersbeestje, mot, wesp, sprinkhaan, graanklander
Vertalingen
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Engels
Uitspraak
- Geluid: insect (VS) (hulp, bestand)
- IPA: /ˈɪnsɛkt/
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| insect | insects |
Zelfstandig naamwoord
insect