horloge

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een polshorloge

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hor·lo·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans (horloge). Uiteindelijk afgeleid van het Griekse horologion, van horo (tijd) en logos (o.a. getal).
enkelvoud meervoud
naamwoord horloge horloges
verkleinwoord horlogetje horlogetjes

Zelfstandig naamwoord

horloge o

  1. (tijdrekening) een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
    Ik ben mijn horloge vergeten.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie