groei
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: groei (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /χruj/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ɣruj/
Woordafbreking
- groei
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van groeien zonder -en.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | groei | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
groei v
- het groter worden.
- Zijn groei schokte de wereld.
Afgeleide begrippen
- groeiachterstand, groeibeleid, groeicijfer, groeicurve, groei–explosie, groeimiddel, groeiproces, groeisector, groeisnelheid, groeistoornis, groeistuip, groeitempo
Verwante begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
| groeien |
groei
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeien
- Ik groei.
- gebiedende wijs van groeien
- Groei!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeien
- Groei je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.