gewinnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·win·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gewinnen
gewon
gewonnen
klasse 3 volledig

Werkwoord

gewinnen

  1. (overgankelijk) verkrijgen, vooral in godsdienstige zin
    Ik acht alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus, opdat ik Christus mag gewinnen.[1]
  2. archaisch/bijbels: het krijgen van een nakomeling

Zelfstandig naamwoord

gewinnen

  1. ongewoon: meervoud van gewin
    Vrijgezels, welker inkomsten en gewinnen niet zo hoog zijn dat zij onder de classen zijn begrepen, zullen contribueeren op den voet zo als in de classen is bepaald, te weten 1/4 gedeelten van hunne verdienst of inkomst, den tienden penning -- Nieuw plan van belasting voor het Friesche volk.[2]
Verwijzingen
  1. Preek 2004
  2. Verzaameling van placaaten, missiven resolutien enz door het provinciaal bestuur van Friesland, 28 junij - 8 november 1796