overwinnen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- over·win·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| overwinnen |
overwon |
overwonnen |
| Klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
overwinnen
- (overgankelijk) een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen.
- Hij overwon zijn angst voor het water en nam zwemles.
Vertalingen
1.