gewin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·win
enkelvoud meervoud
naamwoord gewin -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gewin o

  1. voordeel, winst
    Het gewin was groot voor het bedrijf.

Werkwoord

vervoeging van
gewinnen

gewin

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gewinnen
    Ik gewin.
  2. gebiedende wijs van gewinnen
    Gewin!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gewinnen
    Gewin je?


Oudnederlands

Zelfstandig naamwoord

gewin

  1. bezit
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen