gebruiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·brui·ken
Woordherkomst en -opbouw

Verwant in Germaans:

Nederlands: fruit, vrucht
Duits: brauchen, Frucht
  • Verwant in Romaans:
Latijn: fructus, frui
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gebruiken
gebruikte
gebruikt
zwak -t volledig

Werkwoord

gebruiken

  1. (overgankelijk) zich bedienen van, toepassen
    Piet gebruikte een ladder om op het dak te komen.
  2. (overgankelijk) eten, nuttigen
    Op Goede Vrijdag mochten wij alleen brood en water gebruiken.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

gebruiken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gebruik
Vertalingen