brauchen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • brau·chen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brauchen
/bʀaʊ̯χn̩/
brauchte
/bʀaʊ̯χtə/
gebraucht
/gə'bʀaʊ̯χt/
volledig

Werkwoord

brauchen

  1. gebruiken
  2. nodig hebben
    «Sie braucht Hilfe.»
    Ze heeft hulp nodig.